Bekijk profielpagina

Achter de cijfers - Editie #181: gratis kinderopvang recept voor ellende, op het randje van recessie en de prijs van brood

Revue
 
 

Achter de cijfers

19 november · Editie #181 · Bekijk online

Econoom en journalist Martin Visser praat je wekelijks bij. Wat is het verhaal achter de cijfers? Over pensioenen, lonen en arbeidsmarkt, over robotisering, flexibilisering, over de problemen van de middenklasse, over de houdbaarheid van de euro én van de EU. Links, cijfers en duiding.


Goedemorgen. In deze nieuwsbrief sta ik uiteraard stil bij de economische krimp in Nederland. We zijn hard op we naar een recessie. Het waren echter niet de consumenten, maar de bedrijven die onze economie in de min trokken. Consumentenbestedingen deden het nog aardig in het laatste kwartaal, maar investeringen door bedrijven zakten hard in. Hieronder ga ik dieper op de cijfers in.
Verder vraag ik me af waarom het kabinet kinderopvang bijna gratis wil maken. Welke bedoeling heeft die enorme stelselwijziging? En wie moet het nieuwe systeem moet uitvoeren. Zijn we hiermee van de toeslagenellende af? De Tweede Kamer aarzelt, het Sociaal en Cultureel Planbureau is ongemeen kritisch.
Helemaal onderaan staat de tekst van een lezing die ik deze week hield op een symposium van het CBS over ondernemerschap in deze onzekere economische tijden. Voor de liefhebber.
Mocht je de nieuwsbrief de moeite waard vinden, laat me dat dan weten. Maar vooral: laat het mensen in je omgeving weten. Hoe meer lezers, hoe meer vreugd.
Veel leesplezier!

Oijpolder, Nijmegen.
Oijpolder, Nijmegen.
Hand op de knip
Een paar weken geleden durfde ING-hoofdeconoom Marieke Blom al te stellen dat Nederland in een recessie zit. Het was eind oktober, het derde kwartaal was al ruimschoots achter de rug, maar officiële cijfers waren er nog niet. Aan de hand van pin-data houden de banken echter bijna realtime in de gaten hoe de consument reageert op de hoge inflatie. En Blom zag in die cijfers dat consumenten bezig waren de hand op de knip te houden. In Nieuwsuur zei ze:
“Ik denk dat we voorbij het kantelpunt zijn en in een milde recessie zitten, waarvan we eigenlijk niet goed weten of hij zich verder gaat ontwikkelen richting een stevige recessie.”
Uit de gegevens over pin-transacties (geldopname, afrekenen in de winkel, afrekenen online) was op te maken dat de omzetten in het 3e kwartaal 1,5% lager liggen dan in het 2e kwartaal. Bij stijgende prijzen kan het niet anders dan dat de verkopen in volume nog harder zijn gedaald dan die 1,5%, zo redeneerde ING. En dus heeft de consument ons in dat kwartaal in een recessie getrokken. Ervan uitgaande dat het 4e kwartaal ook een krimp van de economie zal laten zien.
bron: ING
bron: ING
Het werd eventjes spannend voor de ING-economen, want het blijft tricky om zo vroegtijdig zo stellig te zijn. Landen als Duitsland, Frankrijk, Spanje en Italië boekten in het laatste kwartaal een kleine plus. België had wel een lichte krimp (-0,1%) van de economie. Maar de economie van de EU en van de eurozone groeide nog (+0,2%). Rabobank dacht dan ook dat Nederland pas in het 4e kwartaal in de min zou duiken. Maar Blom kreeg gelijk: het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maakte dinsdag bekend dat de Nederlandse economie in het 3e kwartaal 0,2% kleiner was dan in het 2e kwartaal. Nog zo'n kwartaal en Nederland zit officieel in een recessie.
Opvallend genoeg wees het CBS dinsdag niet de consument aan als ‘veroorzaker’ van de economische dip. Het zijn de investeringen (in bouw en infrastructuur) die in de min zaten in dat kwartaal. De consumentenbestedingen lieten nog een minieme plus zien. Wegzakkend ondernemersvertrouwen heeft er dus harder ingehakt dan het dramatisch slechte consumentenvertrouwen.
Houdt de consument nu wel of niet de hand op de knip? Banken die de data realtime volgen zeggen van wel. Zo legde Rabo-econoom Hugo Erken me uit dat de detailhandelsverkopen er in juli en augustus nog aardig uitzagen, maar dat de klad er echt in kwam in september.
De laatste cijfers geven een heel gemengd beeld, zoals je kunt zien in dit plaatje:
bron; CBS
bron; CBS
De detailhandelsverkopen stegen in het 3e kwartaal nog wel met 0,6% (groene balk). Maar dat is allemaal toe te schrijven aan de hogere prijzen. Want als je alleen naar de volumes kijkt (rode balk), dan dalen de verkopen met 1,5%. De klappen in de meubel-, kleding- en schoenenwinkels zijn al behoorlijk groot.
De vraag is hoe dit zich verder ontwikkelt. In de nieuwsbrief van vorige week ben ik al uitgebreid ingegaan op de verschillende scenario’s. Deze week reageerden aandelenbeurzen opgelucht omdat de Amerikaanse inflatie een paar tienden van procenten lager bleek te zijn dan verwacht. Je merkt dat iedereen hoopt op een kentering. Maar volgens mij kun je dat nog helemaal niet concluderen. Misschien dat de inflatie komend jaar niet zo extreem hoog is, maar het gaat er vooral om of de prijsstijgingen weer naar het oude niveau teruggaan (zo'n 2%) of dat we langdurig last krijgen van een bovengemiddelde inflatie.
Hoge kosten
Ondernemers worstelen met de vraag: kan ik mijn torenhoge kosten wel doorberekenen aan de klant? Want ook het bedrijfsleven kampt met hoge inflatie, de energie en andere grondstoffen zijn duur. Uit enquêtes blijkt dat 58% van de ondernemers dat niet of nauwelijks doen, zo schreef ik vorige week. Daarbij zijn er grote verschillen tussen branches. In de industrie worden kosten meer doorberekend dan in de horeca bijvoorbeeld. Tenminste, dat zeggen ondernemers.
Twee pregnante voorbeelden die de spanning illustreren: voedingsgigant Unilever slaagt erin 75% van zijn hogere kosten door te schuiven naar de consument. Aandeelhouders blij. Bakkers komen in het nieuws omdat zij de deuren moeten sluiten. Sommigen zien het niet meer zitten omdat ze de extreme energiekosten niet kunnen (of willen?) verdisconteren in de prijs van een gesneden bruin.
Je zou dus denken dat grote bedrijven beter in staat zijn de prijzen te verhogen dan kleine. Die concerns hebben immers meer marktmacht. Maar het omgekeerde lijkt waar te zijn. Deze week meldde het CBS dat het vooral mkb'ers zijn die de prijzen verhogen:
“Het merendeel van de ondernemers binnen het midden- en kleinbedrijf (mkb) berekent de stijgende grondstofkosten door aan klanten. Ondernemers binnen het grootbedrijf doen dit minder vaak. (…) Om met de kostenstijgingen van grondstoffen, energie en bedrijfsmiddelen om te gaan berekent het merendeel van de ondernemers deze stijgingen door aan klanten. 60 procent van de mkb-ondernemers gaf aan het begin van het vierde kwartaal 2022 aan dat dit de belangrijkste manier was. Binnen het grootbedrijf (250 werkzame personen of meer) doet iets meer dan de helft van de ondernemers dit.”
Dat ziet er dan zo uit:
bron: CBS
bron: CBS
Hierbij legt het CBS de knip bij 250 werknemers. Grootbedrijf heeft er meer dan 250, mkb heeft tussen 5 en 250. Uit de onderliggende cijfers komt een iets genuanceerder beeld naar voren. De vraag naar doorberekening van kosten is aan allerlei bedrijven voorgelegd en de verdeling naar bedrijfsgrootte is iets uitgebreider. Als ik daar een plaatje van maak, dan krijg ik dit:
bron: CBS
bron: CBS
De verschillen zijn plots niet meer zo groot, behalve voor de specifieke categorie 50-100 werknemers. Dat is eerder het middenbedrijf dan het kleinbedrijf. Maar dan nog zou je verwachten dat de grotere bedrijven vaker hun prijzen verhogen dan de kleinere. De uitkomst is nogal contra-intuïtief.
Toch heeft het Centraal Planbureau daar wel een verklaring voor. In twee columns heeft onderdirecteur Jeroen Hinloopen uitgelegd (hier en hier) dat juist bedrijven mét marktmacht kostenstijgingen minder doorberekenen dan bedrijven die heftige concurrentie hebben. Hij noemt dit ‘de afwentelingsparadox’.
“De verklaring voor deze afwentelingsparadox is simpel: aanbieders met marktmacht gebruiken die macht altijd als ze hun prijs bepalen, ook zonder kostenstijging in het verschiet. Op zoek naar marge zal een aanbieder met marktmacht een prijs zetten die zo hoog als wenselijk op de vraaglijn zit. Van alle marktvormen vraagt een monopolist de hoogste prijs en zit daarmee op de meest elastische plek op de vraaglijn. Van alle marktvormen geeft volkomen concurrentie de laagste prijs en zit daarmee op de minst elastische plek op de vraaglijn. En dan is een grotere kostenafwenteling bij meer marktmacht opeens onlogisch.”
Heb je weinig concurrentie en dus veel marktmacht, dan reken je sowieso een hoge prijs. Ook als er geen energiecrisis is. Je hebt de macht om een hoge winstmarge te pakken. Die prijs wordt volgens de theorie zó hoog gesteld dat de consument het er nog nét voor over heeft. De prijs verder verhogen jaagt consumenten weg (de prijselasticiteit is hoog). Op die manier zou zo'n bedrijf in deze crisistijd hun klanten ook wegjagen als ze nu de prijzen verhogen. Bakkers daarentegen opereren in een zeer concurrerende markt en varen scherp aan de wind. Ze hebben lage marges. Zij kunnen massaal prijsverhogingen doorvoeren en de klant loopt niet meteen weg. Aldus de theorie. Daar komt bij dat grote concerns met hoge winstmarges ook meer financiële ruimte hebben om de hoge kosten (deels) voor eigen rekening nemen. Hun voortbestaan staat niet meteen op het spel.
Daarom verbazen deze economen zich ook zo over bakkers die de deuren sluiten. Die bakkers verzuchten dan: ik kan het brood toch geen 6 euro maken? Waarom niet, zal de econoom reageren. Dat is de wetmatigheid van de economie. Blijkbaar veronderstellen die bakkers dat klanten deze prijs niet betalen.
Ik vind de redenering van de CPB-onderdirecteur prikkelend. En de CBS-enquête lijkt te bevestigen dat grote bedrijven niet allemaal naar prijsverhoging grijpen als middel om deze energiecrisis te overleven. Toch denk ik dat de werkelijkheid iets gecompliceerder is dan de tekentafel-werkelijkheid die het CPB hier voorschotelt.
Neem opnieuw Unilever en de bakker. Blijkbaar slaagt Unilever erin 75% van de kosten door te berekenen. Het concern maakt daarin een afweging tussen aandeelhouders die een hoge marge eisen en mogelijk dalende verkopen als de prijzen te hoog worden. Daarbij weet het concern een balans te vinden waarbij hun A-merken het goed blijven doen óndanks de prijsstijgingen. Hierbij is de klant trouwens niet alleen de consument, maar ook de supermarktconcerns die de afnemers zijn die hier nog tussen zitten. Die onderhandeling moet Unilever eerst aangaan. De supermarkt is een tegenmacht in dit spel en Unilever kan meer gewicht in de strijd gooien dan een gemiddelde tuinder als die onderhandelt met Ahold.
En neem dan die bakker. Die concurreert niet alleen met andere bakkers, maar vooral ook met de supermarkten. Het is dus niet zo gek dat die bakker zich realiseert dat hij brood geen 6 euro kan maken. Want dan loopt iedereen weg, naar de supermarkt. Het is daarbij ook nog eens de vraag of de huidige kostenstijgingen niet zó uitzonderlijk hoog zijn dat die volledig doorrekenen domweg geen optie is.
Als je ondernemers spreekt, komt vervolgens ook emotie om de hoek kijken. Heb je langjarig persoonlijk contact met je klanten? Dan is een prijsverhoging veel ingewikkelder dan wanneer je een afstandelijke, onpersoonlijke relatie met ze hebt. Er speelt dus meer dan een simpel model rond vraag, aanbod, marge en prijselasticiteit.
Kinderopvang
Er komt een enorme financiële meevaller af op mensen met midden- en vooral hoge inkomens. Vanaf 1 januari 2025 moet de kinderopvang bijna gratis worden. Wie werkt, mag kinderopvang gebruiken en dat gebruik is niet meer afhankelijk van hoeveel je werkt. Waar je nu een inkomensafhankelijke toeslag krijgt voor de kosten, komt er straks een inkomensONafhankelijke bijdrage van 4%.
Persoonlijk had ik deze stelselwijziging in de kinderopvang liever een aantal jaar geleden gehad. Hahaha. Toen we twee kinderen op de opvang hadden en we bruto meer aan opvang kwijt waren dan aan de hypotheek. Toen maakten de toeslagen ook al een hoop goed hoor, maar slechts 4% betalen zou een enorme financiële klapper zijn geweest. Nu hebben we nog 1 kind die 1 middag per week op de bso zit. Dan nog zou er flink voordeel zijn. Nu vergoedt onze toeslag, bij twee uitstekende inkomens, zo'n 15% van de kosten. In het nieuwe systeem wordt maar liefst 96% van de kosten vergoed. Helaas zit de jongste dan inmiddels op de middelbare school. Maar goed, het gaat niet om mijn portemonnee natuurlijk. Al illustreert dit wel de impact voor veel gezinnen.
Deze week debatteerde de Tweede Kamer met minister Karien van Gennip van Sociale Zaken over de plannen. Daar bleken nog flink wat problemen te zijn. Praktisch is er meteen al een issue met de uitvoering: wie gaat dat doen? Nu betalen ouders zelf de kinderopvang en keert de Belastingdienst de toeslag aan die ouders uit. De gedachte was dat je zo marktwerking overeind houdt. De overheid ging niet tussen die betaling in zitten. Op de markt wordt opvang aangeboden en welke tegemoetkoming ouders via de fiscus krijgen, is voor de opvangorganisaties niet relevant. Overigens zijn die toeslagen wel gebaseerd op een maximale uurprijs, want de introductie van de kinderopvangtoeslag werkte in het verleden prijsopdrijvend.
Straks betaalt de overheid de kinderopvangorganisaties rechtstreeks - om de financiële last bij ouders weg te halen. Dan moet vervolgens die 4% eigen bijdrage ook door de overheid worden geïnd. Topambtenaren hebben al in kaart gebracht wie deze taak kan doen: UWV, DUO, Dienst Toeslagen, SVB. In het advies van ABDTopconsult valt te lezen dat uitvoeringsorganisaties helemaal niet staan te springen op deze klus:
“Zoals eerder geschetst viel in onze verkenning op dat uitvoeringsorganisaties constructief meedachten, maar zich terughoudend opstelden ten opzichte van het uitvoeren van de grote opgave die de herziening van het kinderopvangstelsel met zich meebrengt en zich daarbij onderling in een vergelijkbare positie bevinden. (…) Hun voorzichtigheid is alleszins begrijpelijk. In meer of mindere mate hebben alle uitvoeringsorganisaties te maken met verouderde ICT systemen die vervangen moeten worden, met volle agenda’s door diverse ambitieuze opgaven uit het Coalitieakkoord en met uitdagingen door de krapte op de arbeidsmarkt. Ook zijn zij zich in zekere zin aan het losmaken van een periode in het verleden waarin er te veel druk was op de uitvoering en te weinig oog voor de haalbaarheid van opgaven, voor de uitvoeringsgevolgen van (te) complex beleid en voor de benodigde (voorbereidings)tijd van de uitvoering.”
Hier bijt de uitvoeringsproblematiek bij de overheid zichzelf in de staart. Door de veeleisendheid van de afgelopen decennia vanuit de politiek zijn deze organisaties kopschuw geworden. Ook speelt een rol dat er nog teveel ‘openstaande beleidsvraagstukken’ zijn, aldus het advies. Die uitvoerders kijken wel beter uit voordat ze zich committeren aan zo'n monsterklus. Uiteindelijk stelt ABDTopconsult dat, met de pistool op de borst, DUO de meest voor de hand liggende uitvoerder is.
Inhoudelijk liggen er ook fundamentele punten. Daar wees het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) deze week weer op. Een tijdje geleden adviseerde het SCP al zeer kritisch. Deze week zocht de adviseur van het kabinet de publiciteit om die kritiek opnieuw te uiten.
Plaatsvervangend SCP-directeur Marjolijn Olde Monnikhof is zeer scherp. Volgens haar zijn kinderen uit armere gezinnen straks de dupe. Zij prikt de mythe van ‘bijna gratis’ kinderopvang door. Straks wordt 96% van een maximum-tarief vergoed. Op papier zou dat ook voor mensen met lage inkomens goed nieuws zijn. Maar het SCP voorziet door deze wijziging een enorm toenemende vraag naar kinderopvang. Dat zal leiden tot enorme tariefsverhogingen, zeker bij deze krappe arbeidsmarkt. Dat betekent dat misschien 96% van de officiële tarieven wordt vergoed, maar dat ouders vervolgens het verschil met de werkelijke markttarieven zelf moeten ophoesten:
 ,,In de tussentijd kan dit voor een flinke uitstroom zorgen van kinderen met ouders met een laag inkomen. Deze ouders worden dan door financiële barrières gedwongen minder te gaan werken en zelf voor de kinderen te zorgen; terwijl de arbeidsdeelname van met name vrouwen in deze gezinnen al relatief laag is.”
Volgens het SCP verliest het kabinet helemaal uit het oog dat kinderopvang een instrument is om voor kansengelijkheid te zorgen. Daarbij is het denkbaar dat ouders met hogere inkomens meer kinderopvang gaan gebruiken zonder dat ze meer uren gaan werken.
“Zij zullen niet voor een extra dag kinderopvang kiezen om zelf nóg meer te gaan werken, maar hooguit om oma en opa te ontlasten.”
Je voelt aan alles dat hier in potentie een enorme ramp kan gebeuren. Dit soort grote systeemwijzigingen kunnen gedragsveranderingen in werking zetten die niet bedoeld waren. Maar eenmaal gebeurd, ook niet meer terug te draaien. De Tweede Kamer zit daar ook mee in de maag.
Mij valt op dat het SCP één argument niet gebruikt: lage inkomens moeten via ‘gratis’ kinderopvang meer financiële zekerheid krijgen. Want daar was het om begonnen. Nu betalen de laagste inkomens ook eerst de volle mep aan kinderopvangorganisaties om via de fiscus een toeslag te krijgen als tegemoetkoming in die enorm hoge kosten. Juist die toeslagen zijn een bron van grote onzekerheid. Daar is zo vaak sprake van naheffingen of nabetalingen, dat ouders nooit zeker zijn van hun financiën. Je zag dat in het toeslagenschandaal, waarbij het om extreem hoge bedragen ging. Ouders moeten vooraf zelf een inschatting van hun belastbaar inkomen (een fiscaal begrip dat op zichzelf al verwarrend is) en alle wijzigingen keer op keer snel doorgeven en dan nog is het een verrassing of er na meer dan een jaar alsnog bijbetaald moet worden of dat je geld terugkrijgt van de fiscus.
Toch vraag je je af of het bijna gratis maken de enige manier is om dat onzekere systeem te vervangen. Daarbij worden aan deze stelselwijziging heel veel doelen opgehangen. Het moet tot oplossing voor de toeslagen leiden, het moet de arbeidsparticipatie verhogen, het moet de emancipatie van vrouwen versterken, het moet kansengelijkheid bevorderen. Een systeemwijziging met zoveel verschillende doelstellingen en weigerachtige potentiële uitvoerders klinkt als een recept voor ellende. Veel ellende.
bron: CBS
bron: CBS
Geen commentaar
Buitenhof
'De problemen zijn heel serieus.' @ministervws Ernst Kuipers ziet dat de Nederlandse zorg niet meer op topniveau acteert: we kampen onder meer met personeelstekort onder huisartsen, lange wachtlijsten in de geestelijke zorg en de zorg voor patiënten met kanker kan beter. https://t.co/v2PGtOdhdJ
Song of the week - Meer geld naar OV dan naar asfalt
Nits - The Train
Podcast
De crash van het cryptoplatform FTX heeft de rumoerige wereld van de crypto’s andermaal flink opgeschud. De waarde van onder andere de Bitcoin is hard gedaald sinds de ineenstorting van het platform. Is de zeepbel van de cryptowereld nu daadwerkelijk geknapt? Of is dit juist een uitstekend instapmoment? En hoe zit het met de flamboyante oprichter van FTX, komt hij ongehavend uit deze strijd? Dat bespreek ik met Herman Stam en crypto-verslaggever Theo Besteman in een nieuwe aflevering van de podcast Kwestie van Centen. Luister de nieuwe aflevering van de podcast Kwestie van Centen hier. Ook op Spotify en iTunes.
Wil je mij als spreker?
Foto: CBS
Foto: CBS
Dinsdag organiseerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) het symposium ‘Economische groei bekeken vanuit de ondernemer’. Hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen trapte af met de nieuwste cijfers over de Nederlandse economie. Daarna mocht ik reageren in een analyse van de huidige crisis en de manier waarop ondernemers geraakt worden. Voor geïnteresseerden zet ik de tekst van mijn lezing hieronder.
Wil je mij ook boeken als spreker, panellid of columnist? Bekijk mijn profiel bij Speakers Academy of mail naar info@speakersacademy.com. Of zoek contact met Sprekershuys, lees hier mijn profiel. Rechtstreeks kan ook: martin-visser@xs4all.nl.
Lezing CBS 15 november 2022
Economische groei bekeken vanuit de ondernemer
Martin Visser
 
Onzekerheid. Dat is het allereerste waar ik aan moet denken als ik naar de titel van dit symposium kijk ‘Economische groei bekeken vanuit de ondernemer’. Natuurlijk is de economische toekomst altijd onzeker, in een bepaalde mate. Maar op dit moment is die onzekerheid wel extreem groot.
In alle voorspellingen komt dit terug. Of het nu van het Centraal Planbureau is, van het IMF of van de economische bureaus van de banken. De economen bij die instellingen moeten ramingen maken, maar allemaal onderkennen ze hoe moeilijk dat op dit moment is.
Regelmatig spreek ik voor groepen ondernemers. En die vragen bijna wanhopig: waar gaat dit heen? Tja, wie het weet, mag het zeggen. Wat dat betreft, is het werk van het CBS lekker overzichtelijk. In statistieken beschrijven wat al IS gebeurd. Al blijkt dat gezien de recente discussie over het inflatie-cijfer al lastig genoeg.
Als we de voorbije twintig jaar op een rij zetten, is het economisch en maatschappelijk gezien een bumpy ride geweest. Van de knappende internetbubbel en de aanslag op de Twin Towers in 2001, de bankencrisis in 2008, de daarop volgende eurocrisis vanaf 2010 tot zeker 2013. Toen de coronacrisis in 2020 en 2021. En nu, als gevolg van de oorlog in Oekraïne, een energiecrisis die zich laat merken door een extreem hoge inflatie.
Ik heb teruggekeken naar de economische groei in Nederland vanaf 1970 tot nu. In al die jaren kwam de groei 9 keer onder de 1% uit, waarvan 6 keer na het jaar 2000. Dus 6 keer in iets meer dan 20 jaar tegen slechts 3 keer in de laatste dertig jaar van de vorige eeuw. Het aantal keren dat de jaargroei echt negatief was, was 6x. Opnieuw diezelfde verdeling. 2x tussen 1970 en 2000, 4x in deze eeuw. Grofweg kun je zeggen dat een diepe crisis lange tijd iets was van de jaren zeventig en tachtig en toen lange tijd niet. En sinds 2000 volgen de ontwikkelingen elkaar razendsnel op, met groeiende onzekerheid tot gevolg.
Nu zegt het cijfer voor de economische groei niet alles. Dat is slechts een gemiddelde en het is ook maar één manier om tegen de stand van de maatschappij aan te kijken. Maar het geeft wel een indicatie van hoe goed of slecht het gaat en in welke context Nederlandse ondernemers moeten werken.
Hoe gaat het nú met ondernemers? Als je naar dat cijfer van de economische groei kijkt, zoals die vanmorgen bekend werd, dan zie je de dubbelheid. De groei was in het derde kwartaal nét negatief. Daaruit komt geen absolute rampspoed naar voren. In die zin is deze crisis van een heel andere aard dan de coronacrisis, toen we wél met rampzalige kwartaalcijfers werden geconfronteerd. Dat was een abrupte klap voor de economie, deze crisis gaat in die zin geleidelijker. Al is dat ook weer relatief, als je kijkt hoe snel de energieprijzen en daarmee de inflatie zijn opgelopen.
Maar goed, een dubbel gevoel dus. Goed gaat het allerminst, maar het is niet zo dat onze economie ineens in puin ligt. Die nuance is wel belangrijk om steeds te blijven vermelden. Je hoort dat ook terug in de terminologie van economische voorspellers. Niet voor niets spreken ze van een technische recessie, of de laatste tijd steeds vaker van een milde recessie. Dat klinkt toch net wat vriendelijker.
Maar dat we op een kantelpunt zitten is evident. Consumenten zijn al maanden zeer pessimistisch, zelfs somberder dan tijdens de voorgaande crises. Bij ondernemers is dat vertrouwen pas later gaan afnemen en als je het ondernemersvertrouwen en het consumentenvertrouwen tegen elkaar afzet, zie je ook dat het bedrijfsleven altijd gematigder reageert. Zowel in goede tijden als in slechte tijden. Het consumentenvertrouwen is daarbij meer een emotiemeter, waarbij ik absoluut niet wil zeggen dat de consument het niet bij het rechte eind heeft.
Kijk eens terug naar dat tweede kwartaal, toen onze economie nog als een tierelier draaide. Terwijl Nederlanders de enquête van het CBS steeds negatiever begon in te vullen, spendeerden ze nog helemaal in de geest van de post-corona-boost. Wat waren we blij met alles wat weer kon. Bevrijd van corona gaven we kwistig geld uit en ondernemers profiteerden daarvan. Hun grootste probleem was om aan al die vraag te voldoen. Niet voor niets steeg het aantal openstaande vacatures spectaculair. De Nederlandse economie draaide op volle toeren en we deden het duidelijk beter dan de meeste Europese landen om ons heen.
Inmiddels is de wereld voor veel ondernemers veranderd. Aanvankelijk zagen we de stijgende inflatie misschien vooral als probleem van de consument. Maar de klaagzangen van ondernemers over stijgende kosten hebben Den Haag en de media de afgelopen maanden ook weten te bereiken. Het zijn echt niet alleen de minima en de middeninkomens die problemen hebben om hun energienota te betalen. Ook bakkers, tuinders, horecabedrijven, fabrikanten en tal van andere ondernemingen zijn geconfronteerd met extreme kostenstijgingen.
Daarmee zijn de krapte op de arbeidsmarkt en de inflatie de grootste problemen waarmee ondernemers nu worden geconfronteerd. Vraag het aan een zaal ondernemers waar ze het meeste last van hebben. En je zult zien dat inflatie en gebrek aan personeel als twee van de pregnantste kopzorgen elkaar redelijk in evenwicht houden.
Laat ik met de inflatie beginnen. Die komt op verschillende manieren het leven van de ondernemers binnen. Via de kostenstijgingen waar de bedrijven zelf mee te maken hebben. Via de afnemende bestedingen van klanten door de inflatie. En via de looneisen die astronomische hoogtes bereiken en die steeds vaker ook in hoge loonafspraken worden omgezet.
Het vorige kwartaal vroeg het CBS aan ondernemers in welke mate ze in staat zijn om hun hoge kosten door te berekenen. Maar liefst 58% van hen zei dat dat niet of nauwelijks lukt. Daarbij zijn er wel verschillen te zien tussen branches. Zo rekent in de industrie pakweg de helft van de bedrijven kosten door. In de horeca zegt een overgrote meerderheid dat dat amper mogelijk is.
Let wel: dit is wat ondernemers zéggen. Mijn gevoelstemperatuur over de horeca is anders dan wat deze ondernemers in de enquête gezegd hebben. Blijkbaar zou mijn kopje koffie en sateetje nóg duurder moeten zijn dan die nu al zijn.
Veelvuldig komen met name bakkers in het nieuws die uit eigen beweging de deuren sluiten. Zij zien het niet meer zitten bij de huidige extreme energiekosten. Hulp van de overheid komt te laat. Vaak hoor je dan: we kunnen de prijs van brood toch geen 6 euro maken? Tja, dat is wel hoe de economische wetmatigheden zouden moeten werken.
Wellicht helpt de psychologische barrière hier niet. Gevoelsmatig houdt het ergens op met prijsverhogingen. En bakkers kampen ongetwijfeld met de concurrentie van supermarkten. Het lukt een grote partij als Unilever weer wél om het merendeel van de extra kosten op het bordje van de consument te schuiven. Aandeelhouders blij, de supermarktklant minder.
Dat is de tweede manier waarop ondernemers geconfronteerd worden met de hoge inflatie: de klant reageert erop. Een kopersstaking kun je het nog niet noemen, maar de eerste cijfers laten al wel degelijk zien dat veel consumenten eieren voor hun geld kiezen. Eerst stapten ze over van het A-merk op aanbiedingen, toen van aanbiedingen op het huismerk. En toen zochten ze hun heil van de duurdere supermarkt bij de goedkopere. Dat is grofweg het patroon dat retail-onderzoekers standaard waarnemen, en nu ook.
Maar er wordt niet alleen omgeschakeld naar anders kopen, ook naar minder kopen. In de detailhandelsverkopen zie je dat aanvankelijk de omzetten in euro’s bleven stijgen maar de volumes al daalden. Oftewel: mensen kochten minder voor meer. Inmiddels zie je ook al de verkopen dalen. In meubelwinkels bijvoorbeeld, bij elektronica.
Dit is alleen nog maar de detailhandel. Volgens vooruitzichten van ABN Amro zal de industrie komend jaar flink geraakt worden. Zij voorzien een krimp van de industriële activiteit met 3%. Ook bouw, voeding, vastgoed en andere branches komen in de min. Daarmee is de omslag best abrupt. Draaide onze economie in de eerste helft van het jaar nog als een tierelier, met meer vraag dan onze productiecapaciteit aankon, nu is het beeld gekanteld en stevenen we af op een recessie en zit overal de opslag vol. Van tekorten zijn we in rap tempo overgegaan naar overschotten en flinke voorraden.
De derde manier waarop ondernemers ondervinden dat de inflatie hoog is, is via de loonvorming. Werkgeversorganisatie AWVN maakte afgelopen week bekend dat er 4,7% meer loon is afgesproken in de cao’s die in oktober zijn afgesloten. Dat zegt niet alles over de totále loonstijging, die is nog aanzienlijk lager. Maar in de nieuwe cao’s zie je dat de loongroei maand na maand een beetje hoger uitpakt.
Dat vinden ondernemers vaak een moeilijk verhaal. Maar in presentaties laat ik meestal een grafiek zien van de reële loonontwikkeling. Dat is het perspectief van de vakbondsonderhandelaar. Als je van de loonstijging de prijsstijging aftrekt, hou je een reële loonkrimp over. En geen kleintje ook. Zeker als je van maand tot maand kijkt en inflatiecijfers van 12% of 14% voorbij ziet komen.
Deze cao-ontwikkelingen roepen wel de vraag op wie welke kosten moet compenseren. Is het logisch dat het kabinet op Prinsjesdag een groot koopkrachtpakket heeft gelanceerd voor 2023, dat er vanuit het kabinet ook nog compensatie voor de energierekening komt en dat er dan ook nog via de cao-lonen compensatie moet komen voor de gestegen kosten van het levensonderhoud?
Dat brengt me bij polder en politiek. Wellicht op iets meer afstand van de individuele ondernemer. Maar voor de context waarin die ondernemer dagelijks opereert wel van cruciaal belang.
Wat hebben politiek en polder samen gedaan tijdens deze energiecrisis? Bijna niks. Zo goed als ze samenwerkten tijdens corona, zo weinig kregen ze voor elkaar in deze periode. Dat is opmerkelijk. En ook wel zonde.
Om eerlijk te zijn, ik ben niet altijd zo’n grote fan van de polder. Consensus is mooi. Maar vaak zorgen die overleggen tussen kabinet, werkgevers en vakbonden ervoor dat veranderingen traag gaan en dat vooral de belangen van insiders worden gediend. Voor vernieuwing en innovatie moet je mijns inziens niet bij het poldermodel zijn. Kijk naar de pensioendiscussie of die over de arbeidsmarkt. Uiteindelijk komt er wel iets – een compromis – maar dat kost jaaaaren en zo’n compromis is het vaak ‘net niet’.
Maar goed, terug naar het onderwerp: de polder en de crisis. Als er nou één moment was dat constructief overleg tussen politiek en polder meerwaarde zou hebben gehad dan was het nu. Want de belangen van de drie partijen, kabinet, werkgevers en vakbonden, grijpen in elkaar. Hoe moet je de klap opvangen van gestegen kosten die bij werkenden voor een daling van de koopkracht leidt en bij ondernemers tot afnemende winstmarges?
Dat gesprek kwam nauwelijks op gang. Voortdurend zag je politici wijzen naar werkgevers. Zíj moesten de lonen maar eens verder gaan verhogen. Dat debat is een erfenis van voor de coronacrisis. Ook toen gingen steeds meer kabinetsleden werkgevend Nederland verwijten dat de loongroei achterbleef. Tot premier Rutte zelf aan toe werd er opgeroepen tot meer loon.
Toen was de context anders. Het kabinet Rutte 3 had zich ten doel gesteld dat iedereen eindelijk zou meeprofiteren van de toegenomen welvaart. Na de bankencrisis en de eurocrisis was de Nederlandse economie goed hersteld. Volgens de statistieken nam de welvaart gestaag toe. En toch mopperden Nederlanders wat af. Het sentiment onder de bevolking kantelde. Na jaren van bezuinigingen was er niet het gevoel dat iedereen meedeelde in het herstel dat daarop volgde. Maatschappelijk werd dat steeds meer een ding. Rutte 2 dacht het goede te doen, maar de onvrede nam toe. Er kwam steeds meer debat over groeiende ongelijkheid. Er verschenen analyses van het besteedbaar inkomen over de jaren heen. Er was weer volop belangstelling voor de aiq, de arbeidsinkomensquote die aangeeft welk deel van de koek voor werkend Nederland is. Er was Rutte 3 alles aan gelegen die ongelijkheid – of vermeende ongelijkheid – tegen te gaan. En ervoor te zorgen dat de verdeling tussen arbeid en kapitaal – om het op zijn Marx te duiden – weer in evenwicht te brengen.
Tijdens corona verstomde dat geluid. Logisch ook. Er was bereidheid aan vakbondskant tot loonoffers, nullijnen en een pas op de plaats. Maar zodra corona voorbij was, herleefde dat oude debat weer. Maar nu in het kader van gestegen prijzen, kelderende koopkracht én een extreme krapte op de arbeidsmarkt.
Zo ontstond een situatie waarbij de politiek wees naar werkgevers. Júllie moeten die inflatie compenseren. En werkgevers terugwezen naar de politiek: nee, júllie moeten die koopkracht repareren. Én noodlijdende mkb’ers steunen. Vakbonden waren daarbij de lachende derde. Want zij kunnen, dankzij de krappe arbeidsmarkt, steeds hogere looneisen realiseren. Inmiddels leidt de koopkrachtcrisis ertoe dat de FNV ook weer ledenwinst boekt. Voor het eerst in vele jaren. Het is profileringstijd voor de vakbeweging!
Het eindresultaat is dat zowel kabinet als werkgevers bijspringen in de financiële nood. Voor dit jaar had het kabinet al een paar miljard uitgetrokken voor lagere btw en energiebelasting op de energierekening, een lagere benzineaccijns én energiesteun voor minima. Voor komend jaar wordt een deel van die steun verlengd. Daarbovenop komt verlaging van belastingen en verhoging van toeslagen en verhoging van minimumloon, bijstand en AOW. En er komt ook nog een prijsplafond – als minister Rob Jetten er op tijd uitkomt met de energiebedrijven. Geschatte kosten van dat prijsplafond tussen de 10 en 40 miljard euro.
Je kunt je inmiddels wel afvragen of het kabinet niet tevéél compenseert. Zeker als daar vervolgens cao-loonstijgingen van 5, 6, 7 of meer procent bovenop komen. In plaats van samenwerking tussen politiek en polder lijkt er geen enkele afstemming te zijn.
De inzet vanuit ondernemersorganisaties was dit voorjaar en deze zomer om een knip aan te brengen tussen de energiekosten enerzijds en de overige inflatie anderzijds. Energie zou dan eenmalig worden gecompenseerd door de overheid en door eenmalige cao-uitkeringen. De overige inflatie zou dan de basis zijn voor structurele loonsverhoging. Volgens ingewijden lag er een concreet werkgeversvoorstel op tafel hiervoor. Dat zou resulteren in een uniek centraal loonbod vanuit de branches en bedrijven. Volgens diezelfde ingewijden was er vanuit de branches ook bereidheid om dit toe te passen in reeds afgesloten cao’s.
De meerwaarde voor de vakbonden zou zijn geweest dat ze geen strijd hoefden te leveren voor nieuwe én bestaande cao’s. Alleen zou de loonstijging wel aanzienlijk lager zijn dan de eis van 14,3% waar de FNV nu de onderhandelingen ingaat. De meerwaarde voor het kabinet zou zijn dat er een duidelijke verdeling was gemaakt tussen wie welke last voor zijn rekening neemt.
Waarom het er niet van kwam? De vakbonden wilden zich liever profileren. Zij beloofden een hete herfst en geen kleffe polderdeal. Toen naar buiten kwam dat gedacht werd aan zo’n sociaal akkoord ontstond er ook meteen verzet vanuit de FNV. Er is een grote stroming in die bond die liever geen centrale deals meer wil sluiten, zeker niet als het om cao-aangelegenheden gaat.
En het kabinet? Dat leek totaal geen tijd en zin te hebben. Zij waren zo druk met zichzelf, met de eigen paniekvoetbal rond koopkracht en prijsplafond, dat overleg met de polder steeds op het tweede plan kwam. Verder wordt er veel gemopperd over de onervarenheid van betrokken ministers, Van Gennip op Sociale Zaken en Adriaansens op Economische Zaken. Met name met Wouter Koolmees konden sociale partners lezen en schrijven, met deze ministers is de verhouding…. Ehm… hoe zal ik het netjes zeggen?
…moeizamer.
Ik zie tal van ondernemers die hier toch mee worstelen. Ook zij zien dat hun personeel moeite heeft om rond te komen. En dus overwegen ze om extra eenmalige vergoedingen te geven. Het openbreken van cao’s is niet bepaald favoriet bij deze bedrijven, want dan zit je weer met de vakbonden om tafel. Liever geven ze uit eigen beweging een extraatje. De wens vanuit MKB-Nederland en VNO-NCW om die vergoeding belastingvrij te maken is niet gehonoreerd, dus de schatkist profiteert van die energiecompensatie.
Ik heb wel horen zeggen dat de vakbonden begin volgend jaar alsnog zo’n centraal akkoord zouden willen sluiten. Als ze genoeg nieuwe zieltjes gewonnen hebben. Maar de vraag is of werkgevers dan nog wel behoefte hebben aan een loonafspraak. Gaandeweg zullen zij immers de druk van de naderende recessie voelen. Dat gaat beslist een toenemende rol spelen in cao-onderhandelingen. Wellicht is de vakbondseuforie van korte duur.
Dan kom ik nu nog bij een groot dilemma dat niet onvermeld kan blijven op een symposium dat juist nú stilstaat bij de positie van ondernemers. Namelijk de vraag: hoever moet de steun van de overheid gaan? Met stoom en kokend water, na veel gelobby en gedram, kwam het kabinet in het najaar met ondersteuning voor het energie-intensieve mkb. Gemakkelijk kwam dat niet tot stand. Maar uiteindelijk was het er toch. Het ding heet de TEK, de Tegemoetkoming Energiekosten energie-intensief mkb. Ik weet niet waarom, maar elke Haagse regeling moet altijd een naam krijgen en worden afgekort. De TEK dus.
Er zijn wel duidelijke kaders die de reikwijdte van de regeling behoorlijk inperken. Het bedrijf moet minder dan 250 werknemers hebben en minder dan 50 miljoen euro omzet per jaar. Er zijn drempelprijzen ingebouwd waarvoor een subsidie geldt. En de subsidie is nooit meer dan de helft van de kostenstijging. Het subsidiebedrag is ook nog gemaximeerd op 160.000 euro. En om tot de categorie energie-intensief te worden gerekend geldt een kostengrens. Eerst moesten de energiekosten minstens 12% van de omzet beslaan. Maar toen men erachter kwam dat allerhande bakkers in nood buiten de regeling zouden vallen, is die drempel verlaagd naar 7%. En de uitvoering wordt ook versneld. Niet meer pas per 1 april maar al per 1 januari. Nou ja, AL? De RVO mag het uitvoeren. U weet wel, de Rijksdienst die tijdens corona van de tegemoetkoming in de vaste lasten ook zo’n succesnummer heeft gemaakt.
Maar goed, dat waren de details. Van belang is nu het principe. Moet de overheid de economie stutten? Moeten ondernemers geholpen worden? En zo ja, welke ondernemers dan?
Uit uitlatingen van ministers wordt duidelijk dat hier een fundamentele keuze is gemaakt: tijdens corona wel, nu niet meer. De steun voor het mkb wordt bewust beperkt gehouden. Al kost het nog altijd een miljard of drie. Huishoudens worden riant gecompenseerd, misschien zelfs overgecompenseerd, maar de compensatiesamenleving houdt op bij ondernemers.
Corona was een abrupte schok waardoor plots de economie stilviel. De overheid sloot tijdens de lockdown bedrijven en dan is een schadeloosstelling ook wel op zijn plaats. En het vooruitzicht was dat corona tijdelijk zou zijn en dan kon de economie na de steun de draad weer oppakken.
De aard van deze crisis is anders. Hopelijk is de extreme inflatie tijdelijk, maar de energiekosten zullen waarschijnlijk langdurig hoog zijn en blijven. Dat betekent dat bedrijven hun businessmodel erop moeten gaan aanpassen. Dat stimuleer je niet door al die bedrijven met overheidsgeld op de been te houden.
Dat staat nog los van de financiële armslag van de overheid. Ik geloof dat in Den Haag niet heel veel mensen zich daar zorgen over maken. Kijk maar naar het enorme gat op de begroting dat het prijsplafond voor consumenten slaat.
Wel is het de vraag of de overheid op de langere duur niet juist enorm verstorend werkt als die via subsidies blijft ingrijpen op de dynamiek van de economie. Inmiddels stijgt het aantal faillissementen weer enigszins. Maar met minder dan 300 faillissementen in een maand zit dat aantal nog steeds onder het gemiddelde van een normale maand precorona. Zo wordt innovatiekracht geblokkeerd. Marktwerking betekent immers dat verouderde bedrijven plaatsmaken voor vernieuwende.
Het dilemma is echter dat het niet per se de slechte bedrijven zijn die nu om dreigen te vallen. Je kunt ook domweg pech hebben. Bedrijven die een langjarig, goedkoop energiecontract hebben, overleven. Bedrijven van wie het contract net afliep en nu de lasten van een variabel contract moeten dragen, krijgen het financieel zwaar.
En toch is mijn ervaring dat veel ondernemers dit wel begrijpen. Los van het individuele leed van die ene bakker of die ene tuinder die noodgedwongen de deuren moet sluiten. Dat is gewoon heel naar. Maar dat de overheid er niet is om bij elke nieuwe crisis alle ondernemers erdoor heen te slepen, dát snappen zij zelf ook wel. Uiteraard gaan ze er dan vanuit dat hun concurrent het niet meer redt en diens personeel vrijkomt op de schaarse arbeidsmarkt en dat zij het zelf wel redden. Voor een ondernemer lijkt me dat ook de juiste mentaliteit. Ook bij de coronacrisis heeft ondernemend Nederland veel creativiteit aan de dag gelegd.
In extreem onzekere tijd mag je van de overheid één ding verwachten: stabiel en zeker beleid. Dat is misschien wel veel belangrijker dan subsidies en steun. Maar juist daar ontbreekt het nogal aan. Tot chagrijn van veel ondernemers blijkt de overheid steeds weer te grijpen naar het belastinginstrument om financiële gaten te dichten. Van de vennootschapsbelasting heeft het kabinet inmiddels een jojo gemaakt. Dan weer worden lagere tarieven beloofd en dan weer worden die inderhaast verhoogd als er een tegenvaller op de begroting opduikt. Grote internationale bedrijven staan er in politiek Den Haag niet goed op. Gezien alle discussies over belastingmoraal en topbeloningen is dat op zichzelf nog wel begrijpelijk. Steeds wordt dan gezegd dat dit niet het mkb betreft. Maar in daadwerkelijk beleid lijkt de politiek nauwelijks onderscheid te maken. Met het zwaarder belasten van bedrijven, groot én klein, maak je je blijkbaar nogal populair als politicus.
De voortdurende paniekvoetbal, de steeds weer terugkerende politieke ophef, het adhoc-beleid, het achter de feiten aanlopen, dat maakt de onzekerheid alleen maar groter. Juist deze wispelturigheid kunnen ondernemers op dit moment missen als kiespijn.
Vond je deze editie leuk?
Klik hier om je uit te schrijven.
Als deze nieuwsbrief doorgestuurd is en je wilt je aanmelden, klik dan hier.
Gemaakt door Martin Visser met Revue.